Het verhaal van Monique over agorafobie

Agorafobie straatvrees: Lopende voeten

Monique heeft al twaalf jaar lang last van straatvrees. Ze durft haast haar huis niet uit, uit angst paniekaanvallen te krijgen. Ze stuit regelmatig op onbegrip en wordt er zelf vaak ook moedeloos van. Toch blijft ze vechten om haar fobie te overwinnen.

“Ik vind straatvrees een gekke naam. Ik ervaar het meer als een immense drang om thuis te willen zijn. Wanneer ik toch over mijn eigen veilige grenzen heen ga, dreigt er altijd een paniekaanval. Dan heb ik nog maar één gedachte in mijn hoofd: ik moet naar huis: NU. Dan moet iedereen aan de kant, want ik ben in staat om iemand dood te slaan. Je moet het je zo voorstellen: denk eens aan datgene wat je doodeng vindt. Waar je écht panisch voor bent. Nou, en dat dan nog duizend keer versterkt. Zo voel ik mij. Het is geen kwestie van niet naar buiten willen of van ‘even de tanden op elkaar en hup’. De paniekaanvallen die ik krijg, zijn afschuwelijk. Ze overkomen me, ik heb er geen enkele invloed op. Het is pure doodsangst.
 
Mijn problemen begonnen toen ik een jaar of 15 was. Ik kreeg last van smetvrees. Zo at ik nooit bij iemand anders. Dan keek ik daar in de keuken en dacht: nee, bah! Ik was namelijk doodsbang voor voedselvergiftiging. Toen ik twaalf was, had ik dat namelijk gehad, en wel zo ernstig dat ik vier maanden niet naar school kon. Vlak daarvoor was ik van school veranderd en werd ik opeens erg gepest. En ik werd ongesteld en ook dat heeft nogal impact op me gehad.
 
Er slopen heel langzaam steeds meer klachten in. Ik kreeg last van mijn darmen en mijn ademhaling was vaak van slag. Dan zat ik maar te zuchten en te puffen. De dokter wist niet wat ik mankeerde. In die tijd waren dit soort problemen veel minder bekend dan nu. Was ik overwerkt, had ik hyperventilatie? Het was wel zo dat ik het op mijn werk heel zwaar had. Ik kon slecht grenzen stellen en ‘nee’ zeggen. Ik liep op mijn tandvlees en begon me steeds slechter te voelen. Ik had weinig zin in sociale dingen, vaak vond ik het fijner om thuis te blijven. Dus verzon ik allerlei smoesjes om onder verplichtingen uit te komen. Ik had steeds meer haast om thuis te komen. Op een gegeven moment reed ik met een snelheid van 180 km per uur over de snelweg, om maar zo snel mogelijk thuis te zijn. Waarom? Ik had geen idee! Ik wist best dat het gek was wat ik deed, maar ik kon me er niet tegen verzetten.
 
Toen had ik een week vakantie en ik zou bij mijn ouders gaan logeren om lekker uit rusten. Zij woonden bij mij om de hoek. Na twee dagen, op eerste pinksterdag 1990, kreeg mijn vader een hartinfarct. Mijn moeder riep me en ik schrok verschrikkelijk. Ik zag mijn vader naakt, hij werd helemaal blauw. We hebben snel de eerste hulp gebeld en kleding in een tas gestopt. Op het moment dat de ambulance kwam en mijn moeder en ik mee naar het ziekenhuis zouden rijden, draaide ik door. Ik wist: ik kan onmogelijk mee. Ik ga het huis NIET uit, het gaat gewoon echt niet! Ik heb gegild, gejankt en geschreeuwd. Het was mijn eerste heftige paniekaanval. Met mijn vader is het goed gekomen. Met mij niet meer.
 
De tijd na die eerste aanval was verschrikkelijk. Ik kon geen seconde alleen zijn. Ik hing heel erg aan mijn moeder. Ik moest haar steeds zien, anders raakte ik in paniek. Wanneer ze naar de wc ging, rende ik haar achter na en rukte de deur open, zo erg was het. Het was niet te geloven: ik die vroeger altijd de hort op was, heel uitbundig en spontaan was en zoveel vrienden had, kon geen minuut meer op eigen benen staan! Ik leefde in een cocon van angst, het beheerste mijn hele leven, 24 uur per dag. De vrienden die ik had, raakte ik al snel kwijt. Niemand begreep er iets van. Ik raakte helemaal in een isolement.
 
Dertien jaar geleden was straatvrees nog veel minder bekend dan nu. Ik belandde in de medische molen en heb alles, maar dan ook álles uitgeprobeerd wat er is. Niet alleen in de reguliere gezondheidszorg, maar in ook het alternatieve circuit. Al die therapieën, ik vond het vreselijk. Ik heb regelmatig een therapie afgebroken omdat ik voelde dat het toch geen zin had. Ik heb daar veel ruzie over gehad met mijn familie. Ze verweten me: je zet niet door, je wilt er zeker niet vanaf. Maar natuurlijk wilde ik er vanaf! Maar ik heb inmiddels geleerd dat als het voor mij niet goed voelt met een therapeut, ik geen stap verder kom.
 
Tijdens al deze therapieën is een mogelijke oorzaak voor mijn fobie gevonden. Toen ik twee jaar was, zijn mijn amandelen geknipt. Ik werd huilend bij mijn moeder weggetrokken en toen ik de volgende dag werd teruggebracht, huilde ik nog steeds vreselijk. Mijn moeder heeft altijd gedacht dat ik nooit echt goed onder narcose ben geweest. Vanaf dat moment had ik al wat typisch trekjes. Ik kon geen dingen aan die strak aan mijn lijf zaten en ik wilde altijd alle deuren open hebben. Het zou kunnen dat ik nu nog altijd een immense verlatingsangst heb, geprojecteerd op mijn moeder en dat ik daarom die straatvrees heb.
 
Ik heb een tijd een vriend gehad maar op een gegeven moment liet hij het afweten. Dat was mijn zoveelste slechte ervaring met mannen, en ik geloofde daarna helemaal niet meer in de liefde. Ik had veel verdriet en vond het leven vaak ondragelijk. Ik zat al jaren thuis, hoe moest dit verder? In die tijd had ik veel paniekaanvallen, gewoon thuis. De nachten dat ik naakt in de tuin heb rondgerend, omdat ik uit elkaar dacht te barsten van de hitte, die zijn niet te tellen. Uit wanhoop ging ik dan onder de koude douche. Het enige wat ik op zo’n moment kon doen was kalmeringspillen slikken. Ik probeerde op de automatische piloot de dagen door te komen en niet te veel na te denken. Toen heb ik via een babbelbox Marcel leren kennen. We spraken af, gewoon voor de gezelligheid. Ik had al mijn hoop verloren op een liefde. Maar hij is gekomen en hij is nooit meer weggegaan. Het zat meteen goed tussen ons. Hij toont veel begrip voor mij. Niet dat hij het écht begrijpt trouwens, dat kan niemand, maar hij respecteert mijn angst en heeft nooit overwogen om mij daarom te verlaten. Hij was verliefd geworden op míj, niet op mijn fobie! Soms verwijt ik hem dat hij mij nooit heeft gepusht om dingen te doen, maar dat is onzin. Want hij kon niet tegen mij op. Want als je verkrampt bent van angst, ben je een tijger. 
 
In de loop der jaren ben ik langzamerhand toch wat vooruit gegaan. Ik leerde beter met mijn angsten omgaan. Zo hing ik niet meer zo erg aan mijn moeder als in het begin. Wel zag ik haar altijd nog elke dag en altijd wanneer ze op vakantie ging, moest mijn man vakantie nemen want anders ging het helemaal mis met me. En ik zat nog steeds in een isolement, maar gelukkig was er telefoon en internet. Daarmee kon ik contact met de wereld maken.
 
Ik heb twee kinderen gekregen, ze zijn nu zeven en drie. Dat is een heel weloverwogen besluit geweest. Ik wilde ze niet ten koste van alles. Ik dacht: zou ik er ook alleen voor kunnen zorgen? Want mijn man zou natuurlijk dood kunnen gaan, of de benen nemen, je weet het maar nooit. Bovendien slikte ik antidepressiva, waarvan ze toen nog niet wisten of het schadelijk voor het kind zou zijn. Ik heb diverse oproepjes geplaatst voor informatie en uiteindelijk heb ik - samen met mijn man -  besloten er toch voor te gaan. En daar ben ik heel bij om. Mijn kinderen voegen veel toe aan mijn leven.
 
Tien jaar lang heb ik binnen gezeten door mijn angst, tot ik met een bepaalde therapeut, met wie het heel goed klikte, wat vorderingen heb gemaakt. Nu kan ik te voet 600 meter van mijn huis; op de fiets kan dat 1500 meter zijn, en met de auto zo’n 3 kilometer. Ik kan tegenwoordig zelf boodschappen doen en mijn kinderen naar school brengen; ook werk ik als overblijfmoeder en ben ik vaak de hele dag op school om de juf te helpen. Dat is voor mij een soort therapie. Een ander zou zeggen: wat stelt dat nou voor, maar voor mij is het fantastisch dat ik deze dingen weer kan. Tijdens mijn tweede zwangerschap was ik weer een tijdje aan huis gekluisterd, maar na de bevalling heb ik mijn dingen meteen weer opgepikt. Ik wil koste wat kost niet terugvallen in hoe het vroeger was. Wat fijn is, is dat door mijn kinderen mijn wereld een stuk vergroot is. Ik ken weer veel mensen via die school, heb nieuwe vrienden gekregen en een heel goede vriendin gevonden, met wie ik alles kan delen. Ik ga ook niet bij de pakken neerzitten. Ik lach veel en ik kleed me leuk. Soms verbazen mensen zich daar over, dat ik zo vrolijk overkom. Ook artsen. Maar dan zeg ik: moet ik er dan per se als een zielig musje bij zitten? Dan heb ik toch helemaal geen leven?
 
Ik kan nu goed in mijn eentje thuis zijn, dat kon voorheen echt niet. Ook de smetvrees, waar ik al die jaren last van ben blijven houden, is een stuk minder geworden. Met kinderen zul je ook wel moeten! Anders blijf je altijd bezig. Ook de nachtelijke paniekaanvallen zijn minder. Wel is het zo dat ik, zodra ik moe ben, weer bevattelijker word voor mijn angsten. Maar ook daar heb ik mee leren omgaan. Ik ga niet meer ondoordacht over mijn grenzen heen. Ik stuur wel eens mensen weg als het te druk wordt.
 
Maar ik blijf het verschrikkelijk vinden om hier mee te leven. Mijn beide kinderen hebben in het ziekenhuis gelegen en daar kon ik niet heen. Toen dat gebeurde zeiden mensen om me heen: nu zul je zien dat ze wel gaat, haar moedergevoelens zullen sterker zijn dan haar angsten. Maar dat was niet zo, hoe erg ik het ook vond, ik kon er onmogelijk heen. Ik kon ze alleen maar aan de telefoon spreken en troosten, verschrikkelijk. En ik zou zo graag met mijn man en kinderen op vakantie willen. Gewoon het vliegtuig in!
 
Mijn kinderen voelen natuurlijk wel dat er iets aan de hand is. Ik doe er ook niet stiekem over. Ik heb het mijn dochter vorig jaar uitgelegd, toen was ze zes. In kindertaal. Ik heb gezegd: dat wat jij voelt op een hoge toren, dat heb ik nou eenmaal veel vaker. Ik probeer er normaal mee om te gaan en mijn angsten niet op hun over te brengen, natuurlijk. Ook tegen andere mensen ben ik er redelijk open over. De directeur en andere mensen op de school van mijn kinderen weten het. Soms tonen mensen wel interesse, soms is het ook alleen sensatie. Wanneer ik het vertel, is het mij altijd meteen duidelijk: of mensen hebben er wél begrip voor, of gewoon helemáál niet. Wat dat betreft heb je echt twee soorten mensen. Wat me vaak opvalt, is dat mensen het ook weer vergeten. Dan vragen ze op school: “Je gaat toch wel dat dagje mee naar Artis?” Dan antwoord ik: “Ik heb straatvrees, dat weet je toch??” “Natuurlijk,” zeggen ze dan, “maar we zijn toch onder ons. Kan je dan anders niet gewoon voor een paar uurtjes mee?” Het is gewoon moeilijk te bevatten voor buitenstaanders. Laatst was ik bij de tandarts en die vertelde mij dat ik naar het ziekenhuis moest om mijn verstandskies er uit te laten trekken. Ik heb hem wel vijf keer moeten uitleggen dat dat niet gaat.
 
Morgen gaan mijn ouders met vakantie en hoewel ik daar wel tegen op zie, ben ik er vrij rustig onder. Mijn man heeft nu ook voor het eerst geen vrij genomen om die periode bij me te zijn! Dat is ook al weer een stap vooruit. Meestal lukt het mij tegenwoordig om te denken: als het niet helemaal over gaat, dan is het pech. Ik kan me nu redelijk staande houden, ik heb prachtige kinderen en een lieve man. Natuurlijk wil ik meer, maar als het niet gaat, dan niet. Maar op andere dagen ben ik heel boos en verdrietig. Daarom zal ik er voor blijven vechten om van mijn straatvrees af te komen, hoewel ik eigenlijk niet weet wat ik nog meer zou kunnen doen. Als ze me zouden zeggen: vannacht komen er marsmannetjes iets in je hoofd veranderen, en dan ben je genezen, ben ik bereid om ze te geloven. Want ik wil er zo verschrikkelijk graag vanaf!’
 
Tekst: Lydia van der Weide (lydiavanderweide.nl). Dit verhaal verscheen eerder in Flair.

Ik ga het huis NIET uit

Er slopen heel langzaam steeds meer klachten in. Ik kreeg last van mijn darmen en mijn ademhaling was vaak van slag. Dan zat ik maar te zuchten en te puffen. De dokter wist niet wat ik mankeerde. In die tijd waren dit soort problemen veel minder bekend dan nu. Was ik overwerkt, had ik hyperventilatie? Het was wel zo dat ik het op mijn werk heel zwaar had. Ik kon slecht grenzen stellen en ‘nee’ zeggen. Ik liep op mijn tandvlees en begon me steeds slechter te voelen. Ik had weinig zin in sociale dingen, vaak vond ik het fijner om thuis te blijven. Dus verzon ik allerlei smoesjes om onder verplichtingen uit te komen. Ik had steeds meer haast om thuis te komen. Op een gegeven moment reed ik met een snelheid van 180 km per uur over de snelweg, om maar zo snel mogelijk thuis te zijn. Waarom? Ik had geen idee! Ik wist best dat het gek was wat ik deed, maar ik kon me er niet tegen verzetten.
 
Toen had ik een week vakantie en ik zou bij mijn ouders gaan logeren om lekker uit rusten. Zij woonden bij mij om de hoek. Na twee dagen, op eerste pinksterdag 1990, kreeg mijn vader een hartinfarct. Mijn moeder riep me en ik schrok verschrikkelijk. Ik zag mijn vader naakt, hij werd helemaal blauw. We hebben snel de eerste hulp gebeld en kleding in een tas gestopt. Op het moment dat de ambulance kwam en mijn moeder en ik mee naar het ziekenhuis zouden rijden, draaide ik door. Ik wist: ik kan onmogelijk mee. Ik ga het huis NIET uit, het gaat gewoon echt niet! Ik heb gegild, gejankt en geschreeuwd. Het was mijn eerste heftige paniekaanval. Met mijn vader is het goed gekomen. Met mij niet meer.

Medische molen

De tijd na die eerste aanval was verschrikkelijk. Ik kon geen seconde alleen zijn. Ik hing heel erg aan mijn moeder. Ik moest haar steeds zien, anders raakte ik in paniek. Wanneer ze naar de wc ging, rende ik haar achter na en rukte de deur open, zo erg was het. Het was niet te geloven: ik die vroeger altijd de hort op was, heel uitbundig en spontaan was en zoveel vrienden had, kon geen minuut meer op eigen benen staan! Ik leefde in een cocon van angst, het beheerste mijn hele leven, 24 uur per dag. De vrienden die ik had, raakte ik al snel kwijt. Niemand begreep er iets van. Ik raakte helemaal in een isolement.
 
Dertien jaar geleden was straatvrees nog veel minder bekend dan nu. Ik belandde in de medische molen en heb alles, maar dan ook álles uitgeprobeerd wat er is. Niet alleen in de reguliere gezondheidszorg, maar in ook het alternatieve circuit. Al die therapieën, ik vond het vreselijk. Ik heb regelmatig een therapie afgebroken omdat ik voelde dat het toch geen zin had. Ik heb daar veel ruzie over gehad met mijn familie. Ze verweten me: je zet niet door, je wilt er zeker niet vanaf. Maar natuurlijk wilde ik er vanaf! Maar ik heb inmiddels geleerd dat als het voor mij niet goed voelt met een therapeut, ik geen stap verder kom.
 
Tijdens al deze therapieën is een mogelijke oorzaak voor mijn fobie gevonden. Toen ik twee jaar was, zijn mijn amandelen geknipt. Ik werd huilend bij mijn moeder weggetrokken en toen ik de volgende dag werd teruggebracht, huilde ik nog steeds vreselijk. Mijn moeder heeft altijd gedacht dat ik nooit echt goed onder narcose ben geweest. Vanaf dat moment had ik al wat typisch trekjes. Ik kon geen dingen aan die strak aan mijn lijf zaten en ik wilde altijd alle deuren open hebben. Het zou kunnen dat ik nu nog altijd een immense verlatingsangst heb, geprojecteerd op mijn moeder en dat ik daarom die straatvrees heb.

Slechte ervaringen met mannen

Ik heb een tijd een vriend gehad maar op een gegeven moment liet hij het afweten. Dat was mijn zoveelste slechte ervaring met mannen, en ik geloofde daarna helemaal niet meer in de liefde. Ik had veel verdriet en vond het leven vaak ondragelijk. Ik zat al jaren thuis, hoe moest dit verder? In die tijd had ik veel paniekaanvallen, gewoon thuis. De nachten dat ik naakt in de tuin heb rondgerend, omdat ik uit elkaar dacht te barsten van de hitte, die zijn niet te tellen. Uit wanhoop ging ik dan onder de koude douche. Het enige wat ik op zo’n moment kon doen was kalmeringspillen slikken. Ik probeerde op de automatische piloot de dagen door te komen en niet te veel na te denken. Toen heb ik via een babbelbox Marcel leren kennen. We spraken af, gewoon voor de gezelligheid. Ik had al mijn hoop verloren op een liefde. Maar hij is gekomen en hij is nooit meer weggegaan. Het zat meteen goed tussen ons. Hij toont veel begrip voor mij. Niet dat hij het écht begrijpt trouwens, dat kan niemand, maar hij respecteert mijn angst en heeft nooit overwogen om mij daarom te verlaten. Hij was verliefd geworden op míj, niet op mijn fobie! Soms verwijt ik hem dat hij mij nooit heeft gepusht om dingen te doen, maar dat is onzin. Want hij kon niet tegen mij op. Want als je verkrampt bent van angst, ben je een tijger. 
 
In de loop der jaren ben ik langzamerhand toch wat vooruit gegaan. Ik leerde beter met mijn angsten omgaan. Zo hing ik niet meer zo erg aan mijn moeder als in het begin. Wel zag ik haar altijd nog elke dag en altijd wanneer ze op vakantie ging, moest mijn man vakantie nemen want anders ging het helemaal mis met me. En ik zat nog steeds in een isolement, maar gelukkig was er telefoon en internet. Daarmee kon ik contact met de wereld maken.
 
Ik heb twee kinderen gekregen, ze zijn nu zeven en drie. Dat is een heel weloverwogen besluit geweest. Ik wilde ze niet ten koste van alles. Ik dacht: zou ik er ook alleen voor kunnen zorgen? Want mijn man zou natuurlijk dood kunnen gaan, of de benen nemen, je weet het maar nooit. Bovendien slikte ik antidepressiva, waarvan ze toen nog niet wisten of het schadelijk voor het kind zou zijn. Ik heb diverse oproepjes geplaatst voor informatie en uiteindelijk heb ik - samen met mijn man -  besloten er toch voor te gaan. En daar ben ik heel bij om. Mijn kinderen voegen veel toe aan mijn leven.

Tien jaar lang binnen

Tien jaar lang heb ik binnen gezeten door mijn angst, tot ik met een bepaalde therapeut, met wie het heel goed klikte, wat vorderingen heb gemaakt. Nu kan ik te voet 600 meter van mijn huis; op de fiets kan dat 1500 meter zijn, en met de auto zo’n 3 kilometer. Ik kan tegenwoordig zelf boodschappen doen en mijn kinderen naar school brengen; ook werk ik als overblijfmoeder en ben ik vaak de hele dag op school om de juf te helpen. Dat is voor mij een soort therapie. Een ander zou zeggen: wat stelt dat nou voor, maar voor mij is het fantastisch dat ik deze dingen weer kan. Tijdens mijn tweede zwangerschap was ik weer een tijdje aan huis gekluisterd, maar na de bevalling heb ik mijn dingen meteen weer opgepikt. Ik wil koste wat kost niet terugvallen in hoe het vroeger was. Wat fijn is, is dat door mijn kinderen mijn wereld een stuk vergroot is. Ik ken weer veel mensen via die school, heb nieuwe vrienden gekregen en een heel goede vriendin gevonden, met wie ik alles kan delen. Ik ga ook niet bij de pakken neerzitten. Ik lach veel en ik kleed me leuk. Soms verbazen mensen zich daar over, dat ik zo vrolijk overkom. Ook artsen. Maar dan zeg ik: moet ik er dan per se als een zielig musje bij zitten? Dan heb ik toch helemaal geen leven?
 
Ik kan nu goed in mijn eentje thuis zijn, dat kon voorheen echt niet. Ook de smetvrees, waar ik al die jaren last van ben blijven houden, is een stuk minder geworden. Met kinderen zul je ook wel moeten! Anders blijf je altijd bezig. Ook de nachtelijke paniekaanvallen zijn minder. Wel is het zo dat ik, zodra ik moe ben, weer bevattelijker word voor mijn angsten. Maar ook daar heb ik mee leren omgaan. Ik ga niet meer ondoordacht over mijn grenzen heen. Ik stuur wel eens mensen weg als het te druk wordt.
 
Maar ik blijf het verschrikkelijk vinden om hier mee te leven. Mijn beide kinderen hebben in het ziekenhuis gelegen en daar kon ik niet heen. Toen dat gebeurde zeiden mensen om me heen: nu zul je zien dat ze wel gaat, haar moedergevoelens zullen sterker zijn dan haar angsten. Maar dat was niet zo, hoe erg ik het ook vond, ik kon er onmogelijk heen. Ik kon ze alleen maar aan de telefoon spreken en troosten, verschrikkelijk. En ik zou zo graag met mijn man en kinderen op vakantie willen. Gewoon het vliegtuig in!
 
Mijn kinderen voelen natuurlijk wel dat er iets aan de hand is. Ik doe er ook niet stiekem over. Ik heb het mijn dochter vorig jaar uitgelegd, toen was ze zes. In kindertaal. Ik heb gezegd: dat wat jij voelt op een hoge toren, dat heb ik nou eenmaal veel vaker. Ik probeer er normaal mee om te gaan en mijn angsten niet op hun over te brengen, natuurlijk. Ook tegen andere mensen ben ik er redelijk open over. De directeur en andere mensen op de school van mijn kinderen weten het. Soms tonen mensen wel interesse, soms is het ook alleen sensatie. Wanneer ik het vertel, is het mij altijd meteen duidelijk: of mensen hebben er wél begrip voor, of gewoon helemáál niet. Wat dat betreft heb je echt twee soorten mensen. Wat me vaak opvalt, is dat mensen het ook weer vergeten. Dan vragen ze op school: “Je gaat toch wel dat dagje mee naar Artis?” Dan antwoord ik: “Ik heb straatvrees, dat weet je toch??” “Natuurlijk,” zeggen ze dan, “maar we zijn toch onder ons. Kan je dan anders niet gewoon voor een paar uurtjes mee?” Het is gewoon moeilijk te bevatten voor buitenstaanders. Laatst was ik bij de tandarts en die vertelde mij dat ik naar het ziekenhuis moest om mijn verstandskies er uit te laten trekken. Ik heb hem wel vijf keer moeten uitleggen dat dat niet gaat.
 
Morgen gaan mijn ouders met vakantie en hoewel ik daar wel tegen op zie, ben ik er vrij rustig onder. Mijn man heeft nu ook voor het eerst geen vrij genomen om die periode bij me te zijn! Dat is ook al weer een stap vooruit. Meestal lukt het mij tegenwoordig om te denken: als het niet helemaal over gaat, dan is het pech. Ik kan me nu redelijk staande houden, ik heb prachtige kinderen en een lieve man. Natuurlijk wil ik meer, maar als het niet gaat, dan niet. Maar op andere dagen ben ik heel boos en verdrietig. Daarom zal ik er voor blijven vechten om van mijn straatvrees af te komen, hoewel ik eigenlijk niet weet wat ik nog meer zou kunnen doen. Als ze me zouden zeggen: vannacht komen er marsmannetjes iets in je hoofd veranderen, en dan ben je genezen, ben ik bereid om ze te geloven. Want ik wil er zo verschrikkelijk graag vanaf!’
 
Tekst: Lydia van der Weide (lydiavanderweide.nl). Dit verhaal verscheen eerder in Flair.

Direct contact met een hulpverlener

Heb je behoefte aan persoonlijke hulp of advies? Neem (anoniem) contact op met een van de medewerkers van onze hulplijn MIND Korrelatie. Je kunt bellen, chatten, Whatsappen of mailen met een van onze psychologen of maatschappelijk werkers.